CIDIN/Solidaridad in de media

CIDIN/Solidaridad in de media

Cover afbeelding voorCIDIN/Solidaridad in de media

De Trouw van 12 februari bericht over onderzoek dat door het CIDIN in Nijmegen is gedaan naar de impact van koffiecertificatie in Kenia, Uganda en Ethiopië. Certificatie alleen is de oplossing niet, constateert CIDIN. Fairtrade Nederland is het met die conclusie van harte eens. Zoals we ook onderschrijven dat met nadere samenwerking tussen de certificaties nog veel is te winnen.

Afzet en impact

Wel eerst een kleine kanttekening. De harde kern van de onderzoeksresultaten leunt op Uganda en Kenia. In Uganda was Fairtrade geen deel van het onderzoek. De Fairtrade koffieverkopen vanuit Kenia zijn gering. In 2012 verkochten Keniaanse organisaties gemiddeld zo’n 6% van hun totale export als Fairtrade, dus onder Fairtrade handelsvoorwaarden. Dat betekent dat er navenant weinig baten zijn uit Fairtrade: impact is dus (nog) nauwelijks te verwachten. Ter vergelijking, wereldwijd realiseren Fairtrade gecertificeerde koffie-organisaties gemiddeld 46% van hun exportvolume daadwerkelijk onder Fairtrade condities. Dat is een heel ander cijfer.

Beter boeren moet….

Dat doet echter niets af aan de leerzame inzichten die het CIDIN-onderzoek te bieden heeft. Wat is echt belangrijk voor welvaartstijging onder koffieboeren? Het onderzoek vertelt ons er veel over. Technische assistentie blijkt een cruciale factor. Trainingen maken boeren vertrouwd met betere landbouwpraktijken die leiden tot hogere opbrengsten en een betere kwaliteit bonen. Dit is de leidende gedachte in de duurzaamheidsfilosofie van Utz. Ook in Fairtrade is ‘beter boeren’ belangrijk, als een van de componenten in een brede ontwikkelingsstrategie.

Hoe krijgen we die betere landbouwpraktijk voor elkaar? Anders dan soms gedacht komen landbouwtrainingen nooit automatisch mee met een certificatie. Ze kosten immers geld. In Fairtrade betaalt de koper per ton koffie een vaste premie die door de boerenorganisatie wordt geïnvesteerd. De koffie-organisaties in Fairtrade besloten gezamenlijk om 25% van hun premie-inkomsten structureel te oormerken voor landbouwtrainingen. In 2012 verdienden de 375 gecertificeerde koffie-organisaties samen ruim 37 miljoen euro aan Fairtrade premie. Een kwart daarvan levert voor boerentrainingen een mooi bedrag op, betaald door de markt. Genoeg om alle behoeften te dekken is het uiteraard niet.

… maar er is meer nodig.

Maar landbouwtrainingen zijn niet zaligmakend, ook dat laat het onderzoek zien. Een betere kwaliteit bonen blijkt niet altijd op een hogere prijs te mogen rekenen. Daaraan voegen wij graag toe dat productiviteitsverhoging alleen loont bij een redelijke prijs, niet wanneer de marktprijs de productiekosten niet vergoedt, zoals op dit moment het geval is.

Wat de studie vooral onderstreept is hoe belangrijk een krachtige, betrouwbare coöperatie is voor boeren. De ketenpositie van de koffieboeren moet verbeteren. Boeren moeten meer marktinzicht krijgen en een betere onderhandelingspositie. Cruciaal is ook, zegt CIDIN-onderzoeker Hoebink in Trouw, dat de toegang tot krediet drastisch verbetert. Boeren kunnen hun oogsten dan voorgefinancierd krijgen, zodat ze niet lopende het jaar in geldnood komen. De resultaten van externe trainingen blijken het best te beklijven als kopers hun beloftes nakomen en als er een verankering is van geleerde lessen binnen de boerenorganisatie.

Collectief investeren

Boeren die zich organiseren om het gedeelde belang beter te behartigen, het zit in het DNA van Fairtrade. En het staat dus centraal in haar criteria. Net als een correctie van het marktmechanisme als dat om redenen van duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid nodig is. In de onderzoeksperiode lagen de koffieprijzen (anders dan Trouw en CIDIN schrijven) overwegend hoger dan de Fairtrade minimumprijs. Tot voor een jaar terug, toen de koffieprijs weer door het Fairtrade minimum zakte, handelden ook Fairtrade organisaties dus gewoon tegen marktprijzen. Wel zorgt de vaste Fairtrade premie altijd voor overdracht van extra financiële middelen naar de boerenorganisaties.

Die organisaties hebben dat geld hard nodig om ontwikkelingsstappen te kunnen zetten, of het nu gaat om landbouwtrainingen, herbebossing, organisatieversterking, koffiemachines in eigen beheer, maatregelen tegen klimaatverandering, onderwijs en gezondheidszorg, infrastructuur of verbetering van de voedselvoorziening. Veel jonge organisaties staan nog maar aan het begin van hun ontwikkeling. Dat collectieve uitgaven voor huishoudingen geld kunnen besparen en/of welvaart toevoegen, neemt CIDIN niet mee in haar onderzoeksbenadering. Maar tenzij we CIDIN verkeerd interpreteren beaamt het onderzoek tegelijkertijd volledig het nut van investeringen op het niveau van de organisatie, op het collectieve niveau dus.

Samenwerking tussen certificaties

Certificatie is de moeite waard en toch lang niet genoeg, constateert CIDIN. Ook daarover geen discussie. Kan samenwerking tussen certificaties de impact voor koffieboeren vergroten, zoals CIDIN suggereert? Wij denken van wel. En we zijn ook realistisch.

Voor het idee van de onderzoekers om na twee jaar Fairtrade certificatie over te gaan op Utz is in het onderzoek geen grond te vinden. Organisaties zijn in twee jaar tijd geen sterke marktspelers geworden, noch stopt dan hun behoefte aan redelijke, stabiele prijzen en de overdracht van investeringsmiddelen van Noord naar Zuid, via de keten. Het CIDIN lijkt over het hoofd te zien hoe sterk de wezenskenmerken van Utz en Fairtrade verschillen.

Multicertificatie echter blijft, zoals CIDIN aangeeft, een goede strategie voor boerenorganisaties. Het brengt een groter aantal marktkanalen binnen bereik. Aan Utz en Fairtrade de opdracht om niet afzonderlijk te doen wat ook samen gedaan kan worden. Meer gecombineerde audits, zodat de kosten voor boerenorganisaties dalen. Er wordt aan gewerkt, maar soms gaat het ook ons niet snel genoeg. Verder zouden Utz en Fairtrade vaker hun krachten moeten bundelen richting externe financiers, om zoveel mogelijk boerenorganisaties toegang te geven tot financieringsbronnen voor krediet en landbouwtraining. Zo kan samenwerking muren slechten waar boeren last van hebben, maar blijven verschillen die er voor boeren toe doen rechtovereind.